| 5. ECCE GRATUM | 5. KIJK, DE AANGENAME LENTE |
| koor | |
| Ecce gratum et optatum Ver reducit gaudia: purpuratum floret pratum, Sol serenat omnia. Iamiam cedant tristia! Estas redit, nunc recedit Hyemis sevitia. Ah!Iam liquescit et decrescit grando nix etcetera; bruma fugit, et iam sugit Ver Estatis ubera; illi mens est misera, qui nec vivit, nec lascivit sub Estatis dextera. Ah!Gloriantur et laetantur in melle dulcedinis qui conantur, ut utantur premio Cupidinis; simus jussu Cypridis gloriantes et laetantes pares esse Paridis Ah! |
Kijk, de aangename en langverwachte lente brengt weer vreugde: De weide kleurt purper, de zon vrolijkt alles op. Laat de treurigheid nu eindelijk wijken: De zomer nadert, nu wijkt de grimmigheid van de winter. Ah!Nu reeds smelt en verdwijnt de hagel, de sneeuw enzovoort; de winterkoude vlucht en reeds zuigt de lente aan de borsten van de zomer. Wat een arme ziel is hij die niet leeft, noch uitgelaten is onder de heerschappij van de zomer. Ah!Zij die proberen de beloning van Cupido te bemachtigen genieten en verheugen zich op zoete honing Laten wij op bevel van Cypris juichen van vreugde omdat wij gelijk aan Paris zijn. Ah! |